Een aggregaat lijkt simpel. Stekker erin en draaien. Tot je op locatie staat en je machine niet start, het licht dimt of de stop eruit klapt. Meestal ligt het niet aan pech, maar aan de keuze vooraf. Hieronder lees je de fouten die vaak gebeuren en wat je merkt als je het wél goed aanpakt.
Rekenen met één machine en alles tegelijk gebruiken
Je sluit je grootste machine aan en die draait. Daarna zet je ook lampen aan, een stofzuiger, acculaders en nog een stuk gereedschap. En ineens zakt de spanning. Je merkt het aan dimmend licht, trager draaiende machines of een beveiliging die eruit gaat. Het voelt alsof het aggregaat te klein is.
Wat erachter zit is simpel: je rekent met één apparaat, maar op een werkplek staat er bijna altijd meer aan. En sommige dingen staan langer aan dan je denkt, zoals bouwlampen en laders. Voorkom dit door vooraf een lijstje te maken van alles wat stroom vraagt. Zet erbij wat tegelijk aan staat. Dat ene lijstje voorkomt veel gedoe.
Startpieken die je niet meeneemt
Je compressor of pomp start net niet. Je hoort het aggregaat even zwaar worden, de spanning zakt en dan klapt de beveiliging eruit. Of de machine bromt, maar komt niet op gang. Dit gebeurt vaak terwijl het opgegeven vermogen op papier wel klopt.
Bij veel motoren is het starten het zwaarste moment. In die eerste seconden vraagt de motor kort extra stroom. Dat heet een startpiek. Een aggregaat kan prima een bepaald vermogen leveren tijdens het draaien, maar toch moeite hebben met die korte klap bij het starten. Check daarom niet alleen het normale gebruik, maar ook wat je apparaat vraagt bij opstarten. In de praktijk helpt het ook om zware machines na elkaar te starten in plaats van tegelijk.
Verkeerde aansluiting kiezen
Je komt aan op de klus en je ziet meteen het probleem: de stekker past niet. Je hebt een 230 volt aansluiting, maar je machine vraagt 400 volt. Of andersom. Dan begint het gedoe met verloopstekkers, verdelers en omwegen. En soms draait een machine wel, maar niet zoals je verwacht. Minder kracht, rare geluiden of uitval onder belasting.
Voorkom dit door één ding standaard te doen: kijk op het typeplaatje van je machine. Daar staat welke spanning nodig is en vaak ook het vermogen. 230 volt is meestal voor normale stekkers en lichter gereedschap. 400 volt is vaak voor zwaardere machines met krachtstroom. Kies je aggregaat op de spanning die je echt nodig hebt, en bedenk vooraf welke stekkers je op locatie moet kunnen gebruiken.
Kabels en haspels die vermogen wegvreten
Je hebt een aggregaat dat sterk genoeg lijkt, maar je slijper voelt zwak. Of je zaag start slecht. Je trekt aan het koord, alles loopt, maar onder belasting zakt het in. Vaak geef je dan het aggregaat de schuld, terwijl de oorzaak ergens anders zit.
Lange of dunne kabels zorgen voor spanningsverlies. Hoe langer de kabel en hoe dunner de aders, hoe groter dat verlies. Bij een haspel komt daar nog bij dat hij warm kan worden als hij opgerold blijft. Dan gaat de spanning nog verder omlaag. De oplossing is praktisch: gebruik een kabel die past bij de afstand en de belasting. Rol een haspel volledig af als er serieuze stroom doorheen gaat. En houd de afstand zo kort als de situatie toelaat.
Geluid, afstand en plek niet meenemen
Je zet het aggregaat dichtbij omdat je korte kabels wilt. Daarna merk je wat dat betekent: veel herrie op de werkplek, irritatie bij collega’s, klachten van omwonenden en slechter communiceren. Je praat harder, je hoort elkaar minder goed en het werk wordt onrustiger. Soms staat het ook nog onhandig in de loop of te dicht bij een ingang.
Dit is een keuze die je vooraf al kunt sturen. Denk na over waar het aggregaat kan staan zonder dat het werk in de weg zit. Houd rekening met mensen in de buurt en met je eigen werkritme. In de praktijk komen vragen hierover vaak pas als het misgaat, bijvoorbeeld bij advies rondom een aggregaat van Kippers Rijssen, omdat het probleem dan niet het vermogen is maar de plek, afstand en kabelkeuze. Als je dit vooraf plant, werk je rustiger door.
Looptijd vergeten en alleen naar maximale cijfers kijken
Het vermogen klopt, maar je moet steeds bijtanken. Je bent net lekker bezig en je onderbreekt je werk weer voor brandstof. Dat geeft rommel op locatie en je raakt je ritme kwijt. Aan de andere kant gebeurt ook het omgekeerde: je kiest op maximale cijfers en eindigt met iets dat zwaar is om te verplaatsen, terwijl je het maar deels gebruikt.
Kijk daarom niet alleen naar het hoogste getal, maar naar hoe je het aggregaat echt inzet. Werk je lang achter elkaar, dan is looptijd belangrijk. Werk je vaak op het randje van wat je nodig hebt, dan merk je sneller spanningsdipjes en uitval. Een beetje ruimte helpt, maar het moet wel passen bij je gebruik. Dat brengt je bij een simpele aanpak die je voor elke klus kunt herhalen.
Weet wat je vraagt van je aggregaat en maak de juiste keuze
Als je vandaag één ding doet, maak het dan klein en concreet. Met deze vier stappen voorkom je de meeste fouten bij een aggregaat.
- Lijstje maken: schrijf alle apparaten op die je meeneemt, inclusief lampen, laders en stofzuiger. Zet erbij wat tegelijk aan staat.
- Startpieken checken: noteer welke apparaten lastig starten, zoals compressor, pomp of grote zaag. Plan dat je die niet tegelijk start.
- Aansluiting checken: kijk op typeplaatjes of het 230 volt of 400 volt is en welke stekker je nodig hebt.
- Kabels en gebruiksduur bepalen: meet de afstand, kies passende kabels en bedenk hoe lang je wilt draaien zonder te tanken.
Met deze vier punten heb je overzicht. Je weet wat je vraagt van je aggregaat, hoe je het aansluit en hoe je het gebruikt op de werkplek. Dat scheelt uitval, frustratie en tijdverlies op je volgende klus.
Dit artikel valt buiten de verantwoordelijkheid van de redactie.

